Over de biografie en nog zo wat

Lieve jaargenoten

Voor de duur van deze voordracht neem ik jullie mee naar het domein van de biografiek, niet als tak van wetenschap maar als speelse verkenning naar een even ingewikkeld als
boeiend genre. Een vorm van literatuur, journalistiek en geschiedschrijving. Waarom
is de biografie zo populair? Waarom schrijven en lezen we biografieën? Waarin
verschilt de biografie van een willekeurig historisch onderzoek? Hoe pak je zoiets
aan en ook hoe zit het met onze eigen biografie?

Als motto voor deze excursie koos ik de bekende uitspraak van Søren Kierkegaard: Het
leven kan alleen achterwaarts worden begrepen maar moet voorwaarts geleefd. Want dat is wat we vandaag in alle heftigheid doen: terugkijken naar hoe we vijftig jaar geleden begonnen om vervolgens verder te gaan waar we gebleven waren. ‘Omzien … in verwondering’ is geen exclusieve aangelegenheid voor oudere meisjes als Annie Romein Verschoor ooit was (en wij nu zijn), historici en biografen doen niet anders. Al gebruiken die doorgaans andere en meer bronnen dan alleen herinneringen. Want hoe waar herinneringen onszelf ook toeschijnen, in wetenschappelijke zin zijn ze onbetrouwbaar. Juist omdat ze de neiging hebben zich te voegen naar wat op het moment van herinneren het beste uitkomt. Breinspecialisten hebben dat inmiddels overtuigend aangetoond; onze eigen Cees Nooteboom verwoorddehet al eerder en beeldender: Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil. De waarschuwing zal duidelijk zijn: Iedere reconstructie, of zij nu van de biograaf komt, de historicus, de psycholoog of de ‘herinneraar’ zelf, berust op wijsheid en interpretatie achteraf. Uit de chaos van gebeurtenissen en emoties kiezen we het verhaal dat ons het beste past.

In de vijfentwintig jaar van mijn biografenbestaan heeft het genre, ook in Nederland, een enorme bloei doorgemaakt. In aantal, omvang, discussie, aandacht en waardering (tijdschrift, hoogleraar, werkgroep, subsidies, uitgevers). Hoe laat die groeiende belangstelling zich verklaren en wat zegt zij over ons en onze maatschappij? Duidt het op grotere bewustwording van wie we zijn en wat we kunnen? Of hebben we de spiegel van het verleden, de voorbeelden van wie ons voorgingen meer nodig dan ooit tevoren? Richard Hamilton denkt van wel. In de ogen van deze Britse biograaf is biograferen een
kwestie van nationale gezondheidszorg: want zoeken naar waarheidsgetrouwe
beelden van een persoon, een tijd en de opvattingen van die tijd.

Maar wat maakt een levensverhaal nu precies ‘waarheidsgetrouw’ en is dat een haalbaar ideaal? Een correcte weergave van de feiten of de manier waarop die feiten gepresenteerd of geduid zijn? Een goed verhaal bevalt ons doorgaans beter dan een omgevallen boekenkast of kaartenbak. De een hecht aan beeldmateriaal en citaten, de ander aan duidelijke morele, politieke, sociale en psychologische uitgangspunten. En juist omdat de criteria steeds veranderen, spreken biografen tegenwoordig liever van ‘life writing’. Een
alleen ogenschijnlijk ruimer begrip waarbij het er niet meer zo toedoet wat centraal
staat: een groot en belangrijk mens zoals in de traditionele biografie of een doodgewoon
mens, een stad, een boek, een voorwerp, een gevoel of een jaar met 215 aankomende
èles… Zelfs de autobiografie laat zich daar onder scharen. Bekentenissen,
memoires bevatten immers ook het verhaal van een leven. Waren die van Augustinus,
Rousseau en Virginia Woolf nog heel bijzonder en uniek, anno 2012 lijkt iedereen
om te zien naar wat zijn of haar voorouders presteerden…in het pauperparadijs, in de oorlog, de fabriek of het land van herkomst.

Laten we eens kijken hoe het zit met ons jaar. Wie op Google ‘VVSL 1962’ intikt, belandt eerst bij de Vereniging voor Schooldecanen en Loopbaanbegeleiders, vervolgens bij de Leidse Studenten Vereniging Minerva en tenslotte bij het Regionaal Archief Leiden. Ik was te lui om er heen te gaan maar wie een biografie van ons jaar wil maken, kan daar het beste beginnen. De webpagina van Minerva leverde weinig op, want bevat slechts één
paragraaf over de Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden. In het lijstje van bekende Nederlanders die ooit lid waren, staan twee vertegenwoordigers van ons jaar: HKH prinses Margriet en onze jaarpraeses.
Misschien dat ‘historische feiten’ er meer licht op werpen? Ja en nee. Dat Ruud Gullit, Filip Dewinter en Bart Chabot in september 1962 ter wereld kwamen en de toen
13-jarige Emmy Verhey debuteerde in het Kurhaus van Scheveningen, is alleen achteraf
wel boeiend omdat zij nu zo aanwezig zijn in het openbare leven. Over 1962
zeggen die namen en gebeurtenissen niets.

Meer inkleuring geven collectieve ervaringen als het overlijden van prinses
Wilhelmina, in november 1962, en haar begrafenis geheel in het wit in Delft. Een
dag na de eerste grote nationale geldinzamelingsactie ‘Open het dorp’. Januari
1963 was de koudste winter van de hele vorige eeuw en het najaar van 1964 herinneren
we ons allemaal nog vanwege de moord op Kennedy. Ieder van die ‘gebeurtenissen’
was aanleiding voor discussies over politiek, koningshuis, de positie van de
vrouw, democratie en ook zulke zaken als energieverbruik.

Ik dook in de doos met brieven die mijn Delftse vriendje en ik elkaar begin jaren zestig schreven; twee, drie brieven per week want er waren geen telefoons ‘daar waar wij
woonden’. Een in alle opzichten bijzondere sensatie: jezelf tegenkomen zoals je
een halve eeuw geleden dacht en handelde… Een paar dingen wil ik met jullie
delen. Wellicht herken je er iets in.

Ik heb altijd beweerd en meen dat jaargenoten dat ook deden, dat mijn
studiekeuze niets van doen met carrièreplanning. Ik droomde van een leven aan het toneel, maar omdat dat weinig praktisch leek, werd het Nederlands. Ik hield nogal van lezen en zolang dat niet leidde tot voor de klas staan, was dat een prima voorbereiding voor wat dan ook. En juist op dit punt onthullen de brieven een ander verhaal. In oktober 1962 had ik al een baantje bij de Oegstgeester Courant, een sufferdje waar ik
interviews voor maakte en raadsvergaderingen voor versloeg; en in september
1963 begon ik aan de toen nieuwe opleiding voor dagbladjournalistiek, op de
zaterdag in Amsterdam. Die ‘feiten’ was ik niet alleen vergeten, ze ogen als een degelijke voorbereiding op de veertig jaar literaire journalistiek die ik inmiddels achter de rug heb. (Dus toch carrièreplanning, ook in 1962 al?) Ook waar ik toen volkomen zeker van was – nooit voor de klas – pakte de werkelijkheid heel anders uit. Vijfenveertig jaar heb ik met enorm veel plezier en voldoening les gegeven, op allerlei niveaus (op de middelbare, in het kunstonderwijs, op de universiteit, bij schrijf- en vakopleidingen). Onderwijs bleek eigenlijk een vorm van theater.
Eén quote wil ik jullie niet onthouden, omdat hij in al zijn naïviteit vertelt hoe wij toen dachten. Op vrijdag 28 september 1962, ’s morgens om 6.15 uur schrijf ik: ‘Feliciteer me dan maar. Ik ben èle geworden vannacht…. Er is zoveel gebeurd, maar alles is nog vers en rommelig en verward. De inauguratie in het Groot Auditorium van ’t Academiegebouw met een geweldig indrukwekkende speech van de praeses was groots, soms zelfs ontroerend als je erover na gaat denken. [...] Vooral de laatste week was enorm fijn. Je leerde elkaar een beetje kennen en probeerde met z’n allen zoveel mogelijk te presteren. Nu is dat allemaal voorbij en wordt het echt. De revue, het feest na de inauguratie met alle toespraken en cadeautjes en tot slot de verwelkoming als eerstejaars door de leden van het corps, inclusief gillende politiesirenes… ik heb het in een
roes ondergaan. Soms voel ik me gewoon een beetje huiverig voor wat komen gaat
en aan de andere kant wil ik niets liever dan proberen een echte goede vrouwelijke
student te worden en me te gaan werpen op mijn studie.

Van de uitvoering van dat goede voornemen kwam weinig terecht. Zo druk hadden we het met broddelavonden, hospiteren, lunchen, borrels, feesten, inauguraties, disputen
en in mijn geval ook toneelspelen. Zowel bij Augustinus waar katholiek opgevoede
meisje eveneens lid van behoorde te worden als bij het Leids Akademisch
Kunstencentrum waar Annemarie Prins zich bekwaamde in de kunst van het
regisseren. Hoewel zij toen meer oog had voor jongens dan voor meisjes kreeg ik
wel eens een compliment van haar. Goed voor het ego.

Uit diezelfde brieven blijkt dat wij begin jaren zestig van de vorige eeuw net als de
studenten nu, niet altijd rond konden komen van wat ouders of staat te bieden
hadden. En dat betekende dat we ofwel schulden opbouwden ofwel baantjes zochten:
als huiswerkbegeleider, als souffleuse bij Kriterion, op de sigarettenfabriek. Zo
was ik behalve journalist ook bibliotheekassistente en groepsleidster van moeilijk opvoedbare kinderen. Vanwege de militaire dienst van het eerder genoemde vriendje verhuisde ik in 1965, getrouwd en wel, naar Drenthe. ‘En Joke woont in Meppel, terrerererre, en Barend in de greppel, terrerererre…’ zongen mijn clubvriendinnen bij wijze van troost. ’s Morgens corrigeerde ik de Meppeler Courant, ’s middags bereidde ik me voor op het kandidaatsexamen Nederlands. Nog geen jaar later stond ik in Delft voor een klas met pubers. Geld in het laatje woog kennelijk zwaarder dan mijn bezwaren.

Onlangs liep ik een van die leerlingen van het eerste uur tegen het lijf: Dr. Frank van Vree, decaan van de faculteit der geesteswetenschappen aan de UVA. Hij herkende me en stamelde zoiets als ´U was geloof ik nog erg jong toen ik in 1966 bij u in de klas zat.’ En zo was het ook, nog geen 23 en behalve die huiswerkcursus geen enkele ervaring met onderwijs.

Niet zozeer plannen of dromen bepaalden het verloop van mijn leven, maar alles wat zich daarin aanbood: relatie en studie, gezin en werk, onderwijs,
journalistiek en literaire kritiek. Ik kreeg een rol in de wereld van het boek: bij de uitgeverij, het cultuurbeleid van de overheid, het coachen en bekronen van auteurs, het oprichten en redigeren van tijdschriften om tenslotte uit te komen bij het schrijven van biografieën, een fascinerend genre waarin taal, geschiedenis, filosofie, psychologie, tijd en levensbeschouwing met elkaar de strijd aangaan.

Tien levensverhalen heb ik intussen mogen schrijven. Die van An Rutgers van der Loeff, van uitgeverij Van Holkema & Warendorf, van Annie M.G. Schmidt, van Dick Bruna,
van Hens Gottmer een van de eerste vrouwelijke uitgeefsters in Nederland, van Max
Velthuijs, de vader van Kikker, van Fiep Westendorp, van de Gouden Boekjes, van
de oudste zus van mijn moeder die in 1920 naar Oeganda ging – Witte zuster in donker Afrika – en onlangs samen met Janneke van der Veer de biografie van Han G. Hoekstra. Dat de meeste van die ‘onderwerpen’ iets met kinderliteratuur van doen hebben, hangt
nauw samen met waar ik al een halve eeuw voor knok: een gelijkwaardige positie
van de literatuur voor kinderen aan die voor grote mensen.

Meest opvallende figuur in dat rijtje is natuurlijk Annie M. G. Schmidt op wie ik in 1999 promoveerde: eigenzinnig en niet bang zoals haar beroemde spin. Dit is de spin Sebastiaan. / Het is niet goed met hem gegaan. / Luister. / Hij zei tegen alle andere spinnen. / Ik weet niet wat ik heb, / maar ik heb zo’n drang van binnen / tot het weven van een web. Een heerlijk gedicht, vanwege de theatrale vorm, die aanstekelijke drang en de boodschap dat idealen belangrijker zijn dan de mogelijke gevolgen. U weet nog hoe het afliep. Na een tijdje werd toen even/  dit berichtje doorgegeven:/  binnen is een moord gepleegd,/ Sebastiaan is opgeveegd.

Ik ben er juffrouw Mol van de vijfde klas nog altijd dankbaar voor dat ze ons dit gedicht heeft meegegeven. Volhouden en eigenzinnig durven zijn werden het richtsnoer van mijn leven. Twaalf jaar nadat wij in Leiden aankwamen, deed ik doctoraalexamen
literatuurwetenschap. Onze drie dochters waren zeven, vijf en drie jaar oud. We woonden in Berkel en Rodenrijs, vlak bij Annie Schmidt. Nog eens vijfentwintig jaar later, in 1999, promoveerde ik op de geschiedenis van haar schrijverschap. Doe nooit wat je moeder zegt, een nogal speelse titel voor een wetenschappelijke studie, geleend uit een van haar eigen maar minder bekende versjes. Er was eens een regenworm in Sneek / die altijd naar de sterren keek / en fluisterde: ach hoe schoon, hoe schoon. / Zijn moeder zei: doe toch gewoon. / Kijk naar beneden, naar de grond. / Dat is normaal, dat is gezond. / Kijk naar beneden zoals ik. / En toen, toen kwam de leeuwerik. / Het wormpje dat naar boven staarde, / zag hem op tijd en kroop in de aarde. / Maar moe die naar beneden keek, / werd opgegeten, daar in Sneek. / Dus: doe nooit wat je moeder zegt, / dan komt het allemaal terecht.

Toen het boek uitkwam, lag Annie al een tijdje in haar mooie graf op Zorgvlied. Net als An Rutgers van der Loeff had ze niets willen weten van een biografie. Ze hield de touwtjes liever zelf in handen, maar dat zij en haar schrijverschap onderwerp waren geworden van wetenschappelijk onderzoek, had haar veel deugd gedaan.

Hoe gaat dat, een biografie schrijven? Nationaal noch internationaal hebben biografen een sluitende methode of werkwijze weten te ontwikkelen. En gelukkig maar want juist in dat anarchistische zit de kracht van dat ‘bespottelijke maar aangename genre’ zoals Sem Dresden het placht te typeren. Er zijn wel een aantal randvoorwaarden.
Het onderwerp moet je aan het hart gaan. Het is heel moeilijk om drie, vier en soms
wel tien jaar intensief te verkeren met iemand waar je geen sympathie voor op kunt brengen.

Veel geduld om alles uit te zoeken, na te vragen, te lezen en te controleren.

Een zekere eigenzinnigheid om feit en fictie, werkelijkheid en verhaal van elkaar
te scheiden of misschien wel bij elkaar te brengen. Wie denkt dat memoires een
bruikbare bron zijn voor een biografie, komt bijna altijd van een koude kermis
thuis. Zeker bij iemand die zo overtuigend kon fabuleren als Annie Schmidt. (vb?)

Een zekere taalvaardigheid om alles wat je gevonden hebt tot een samenhangend
verhaal te maken dat je onderwerp recht doet. In die zin is ook de biografie nooit helemaal waar of objectief omdat de stem, de visie en de pen van de biograaf er noodzakelijkerwijs in doorklinken.

Voor mij bleek de biografie de ideale combinatie van onderzoek en schrijven, omdat je letterlijk en figuurlijk in iemands voetsporen mag staan, omdat je niet alleen moet uitzoeken wat iemand deed, naliet of presteerde maar ook het waarom en de omstandigheden moet zien te doorgronden, en omdat de biografie een spiegel biedt
aan lezer én onderzoeker. En met dat argument stuiten we op wat misschien wel
de belangrijkste functie van literatuur is: het bieden van levensverhalen, rolmodellen
tot wie je je als lezer kunt/wilt verhouden of die je in de war brengen.

Nog twee kanttekeningen tot slot: biografen mogen dan zoveel mogelijk bloot willen leggen van de onverbloemde, ongeromantiseerde compromisloze waarheid van echte levens –op zichzelf is dat een onhaalbare en onrealistische verwachting. Net als romanciers zijn biografen een sturende factor in die waarheid, omdat ze de feiten moeten selecteren, ordenen en duiden. Welke verwerk je wel en welke niet en uit welke bronnen put je? Uit brieven, dagboeken, agenda’s, foto’s, romans, getuigenissen? En hoe moet dat nu we elkaar alleen nog via skype, what’s app en de mail berichten? Hoe beluister of lees je de verschillende verklaringen? Vanuit een cynisch of een empathisch standpunt? Waar
ligt de grens tussen waarheidsvinding en ordinaire nieuwsgierigheid? En dan nog zoiets: zijn vrouwen voor vrouwen een makkelijker prooi dan mannen? Ik geloof het niet. Max Velthuijs heb ik beter kunnen volgen in zijn doen en laten dan An Rutgers van der Loeff of
Annie M.G. Schmidt. Niet omdat hij een man was en ik een vrouw maar omdat hij me binnenliet in zijn leven en de dames me op afstand hielden, bang dat er een ander beeld uit zou komen dan zij wenselijk achtten. Terwijl Max Velthuijs bij het in ontvangst nemen van zijn levensverhaal in mijn exemplaar van Ik bof dat ik een kikker ben schreef: ‘voor Joke die mij duidelijk heeft gemaakt wie en wat ik eigenlijk ben…’

En dan nog,hoe nauwkeurig je iemand ook volgt in alles wat hij heeft gedaan, gevoeld,
gedacht of beleefd, je zult de ander nooit helemaal leren kennen. Zoals ook je eigen persoon geheimen voor je zal houden. Je krijgt hooguit zicht op de omstandigheden
van iemands leven en op de keuzes die zijn gemaakt. Voor mij bleken zowel ‘De spin
Sebastiaan’ als de jaren in Leiden  belangrijke keerpunten. Ze boden – ieder op hun eigen wijze – een andere manier van denken, redeneren, kennis hanteren en leven dan ik van huis uit had meegekregen. Dat ik iets daarvan vandaag met jullie heb mogen delen, vervult me met trots en dankbaarheid. Over het traject dat voor ons ligt, weten we maar weinig. Maar op grond van wat vooraf ging, vertrouw ik er op dat er nog veel te ontdekken
valt. Of zoals Cesare Pavese het in overigens nogal andere omstandigheden verwoordde:
Het is mooi om te leven, juist omdat leven beginnen is, altijd en op elk ogenblik.